teksten & publiciteit

KNOWHOW-CENTRUM

Wat is goed Nederlands?

door ing. Jan Everink

Een tekst kan als “goed Nederlands” worden gekwalificeerd als deze tekst wat betreft woordkeuze, grammatica en spelling voldoet aan de normen van de doelgroep.
Woordkeuze, grammatica en spelling hebben te maken met de kwaliteit van de communicatie. De belangrijkste kwaliteitsnorm bij het schrijven van een informatief-promotionele tekst, die de basis vormt voor uiteenlopende andere taalregels, is dat de tekst duidelijk moet communiceren wat de auteur bedoelt. Schriftelijke taal is eenrichtingsverkeer: de lezer kan niet tijdens het lezen om nadere uitleg vragen. Daarom moeten geschreven teksten op de eerste plaats duidelijk zijn.


De juiste woorden

Taalgebruik is communicatie, het overbrengen van ideeën ofwel concepten. Elke taal-uiting heeft een betekenis en het is de bedoeling dat deze betekenis overkomt bij de lezer. De belangrijkste taalregel voor de tekstschrijver is: zodanig te schrijven dat de lezer begrijpt waar het om gaat, en dat wordt vooral bereikt door een goede woordkeuze.

Veel mensen hebben wel eens de ervaring dat ze iets willen zeggen of schrijven maar niet zo gauw het toepasselijke woord kunnen vinden. Blijkbaar is het concept dus al in de geest aanwezig maar het bijbehorende symbool, het juiste woord, nog niet. Woordkeuze is het toekennen van symbolen aan concepten.

De essentie van taalvaardigheid is het vlot kunnen vinden van de juiste woorden. Door veel te lezen en te schrijven kan iemand zijn taalvaardigheid verbeteren. Bij twijfel over de exacte betekenis van een woord is het raadplegen van een woordenboek de beste methode om meer zekerheid te verkrijgen. Goede taalvaardigheid kan worden opgebouwd door steeds zorgvuldig de juiste woorden te kiezen en bij onzekerheid over de betekenis van een woord dit woord op te zoeken.

Woorden moeten niet alleen in de juiste betekenis worden gebruikt, ook moet de lezer de betekenis van de gebruikte woorden kennen. Als een bepaald woord in uw tekst door de lezer niet wordt begrepen komt uw bedoeling niet over. Daarom kan het schrijven over een technisch onderwerp voor een doelgroep van mensen die nog niet met de betreffende techniek op de hoogte zijn vrij moeilijk zijn. Daarbij heeft u om duidelijk te formuleren wat u bedoelt uiteenlopende technische termen nodig maar deze termen mag u niet gebruiken omdat ze bij de meeste mensen in de doelgroep onbekend zijn. De oplossing is dan om in de tekst zulke woorden te verklaren en toe te lichten.

Er is slechts sprake van adequate communicatie als de lezer de betekenis van alle woorden in de tekst begrijpt. Veel teksten zouden aanzienlijk aan leesbaarheid winnen als de gebruikte speciale woorden er in gedefinieerd zouden worden.


De juiste zinnen

De regels voor het combineren van woorden tot zinnen vormen de grammatica van een taal. Vaak wordt grammatica ofwel spraakkunst beschouwd als een reeks beperkende regels met geen andere basis dan dat het nu eenmaal zo hoort. Bij grammatica gaat het echter om een reële doelstelling: het creëren van zinnen met een heel precieze inhoud. Pas door toepassing van de grammatica-regels krijgen de woorden hun exacte betekenis.

Kinderen zijn in staat om spelenderwijze een grammatica te leren, overigens meestal zonder zich daarbij van de regels bewust te worden. Hoe dat mogelijk is werd onderzocht door de taalkundige Noam Chomsky. Volgens hem bezit de mens al bij de geboorte een onbewust taalvermogen in de vorm van een universele grammatica. De regels van een aangeleerde taal zijn variaties op de regels van de universele aangeboren grammatica.

Dat men zich niet van de grammatica-regels bewust hoeft te zijn blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat vrijwel iedereen intuïtief de correcte uitgangen achter bijvoeglijke naamwoorden gebruikt, zoals in “de zilveren munt”, “de ronde tafel” en “een interessant boek”. Toch is het voor een professionele auteur beter om de grammatica-regels wél bewust te kennen, want daardoor kunnen ze genuanceerder en doelgerichter toegepast worden.

Een voorbeeld van doelgericht taalgebruik is het gebruik van de naamwoordstijl, het veranderen van werkwoorden in zelfstandige naamwoorden. Met de naamwoordstijl kan extra betekenis in een zin worden gelegd. Zo is er verschil tussen “De bel rinkelde erg doordringend” en “Het rinkelen van de bel was erg doordringend”. In de tweede zin wordt de naamwoordstijl gebruikt om duidelijk te maken dat het geluid van het rinkelen belangrijker is dan het ding dat rinkelt. Door de naamwoordstijl toe te passen wordt het rinkelen centraal gesteld.

Een andere toepassing van de naamwoordstijl is bijvoorbeeld: “Het schoonmaken begint om acht uur.” Met deze formulering wordt duidelijk dat het genoemde tijdstip van kracht is ongeacht wie gaat schoonmaken.
Maar als men wil vertellen dat Karel mooier zingt dan Wim is het gebruik van de naamwoordstijl niet toepasselijk. De zin “Het zingen van Karel is mooier dan dat van Wim” drukt niet precies uit waar het om gaat. Veel beter is in dit geval om gewoon te schrijven: “Karel zingt mooier dan Wim.”


De juiste spelling

Grammaticaal bestaat grote vrijheid om de taal steeds weer op een andere manier te gebruiken. Die vrijheid geldt niet voor de spelling, want een verkeerd gespeld woord veroorzaakt onbegrip en is dus strijdig met de taaldoelstelling van optimale duidelijkheid.

De lettercombinatie “tavel” wordt bijvoorbeeld door de lezer niet onmiddellijk herkend als een verkeerde spelling van het woord “tafel”. Het onbewuste taalsysteem werkt op basis van het gegeven dat woorden die wat spelling betreft vrijwel overeen komen als symbool een totaal verschillende betekenis kunnen hebben.

Daarom mogen in een voor publiekscommunicatie bestemde tekst geen spelfouten voorkomen. Door de spellingcontrole van de tekstverwerker toe te passen kan daar tegenwoordig vrij gemakkelijk voor worden gezorgd. Overigens is aan te bevelen om iedere tekst ook nog eens visueel te controleren, want de computer ontdekt niet alle fouten. Met name als door een verkeerde spelling een ander bestaand woord ontstaat zal het systeem dat veelal niet constateren.

De in ons land zo nu en dan plaats vindende aanpassingen van de spelling veroorzaken veel onnodige taalverwarring. Professionele auteurs zijn in het algemeen niet blij met deze spellingveranderingen. Deze aanpassingen zijn gebaseerd op de gedachte dat woorden fonologisch moeten zijn, dat wil zeggen zoveel mogelijk overeenkomend met hun uitspraak. Bij de introductie van volledig nieuwe woorden kan het fonologische principe inderdaad zinvol zijn, maar vervolgens zou de spelling van het woord met rust gelaten moeten worden.

De spelling van een woord zou ongewijzigd moeten blijven, want schriftelijke woorden zijn visuele symbolen. Mensen die regelmatig lezen nemen de betekenis rechtstreeks op uit de tekst; ze spreken de zinnen niet in gedachten uit. Geschreven tekst bestaat uit visuele en niet uit auditieve symbolen; daarom is het essentieel dat het woordbeeld, de spelling, door de jaren heen gelijk blijft.


Sociolecten

Taalgebruik dat door een doelgroep als normaal wordt beschouwd is voor deze doelgroep goed Nederlands. Uiteenlopende doelgroepen spreken hun eigen variant van het Nederlands. Zo’n taalvariant ofwel sociolect is niet hetzelfde als een dialect; dialecten hebben een geheel eigen woordenschat terwijl het bij sociolecten voornamelijk gaat om grammaticale eigenaardigheden en het gebruik, binnen de algemene Nederlandse woordenschat, van een beperkt aantal speciale woorden.

Een taalvariant die van officiële zijde veel aandacht krijgt is het ABN ofwel Standaardnederlands. De aanduiding ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands) wordt steeds minder gebruikt, omdat deze suggereert dat andere taalvarianten niet beschaafd zouden zijn. Het Standaardnederlands is de taalvariant die op scholen wordt onderwezen en die wordt gebruikt door overheidsinstanties.

Ook kranten en omroepen die zich tot een breed publiek richten, en daarom massamedia worden genoemd, gebruiken doorgaans het Standaardnederlands. Maar er bestaan vrijwel geen massamedia meer; ook in de krant en op de tv wordt tegenwoordig vrijwel altijd met een specifieke doelgroep gecommuniceerd. Het gebruik van het Standaardnederlands door de media is dan ook sterk verminderd.

Het Standaardnederlands is bedoeld als een algemene taalvariant voor alle Nederlands sprekenden. Het zou een tamelijk eenvoudige en gemakkelijk te leren grammatica moeten zijn maar helaas is het dat niet. Het officiële boekwerk over het Standaardnederlands, de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst) is niet minder dan 1717 pagina’s dik. De ANS is veel te omvangrijk om praktisch te kunnen zijn. Gelukkig bestaan er ook handzamer grammatica-gidsen.

Of men als auteur wel of niet in Standaardnederlands moet schrijven hangt geheel af van de doelgroep. De ANS-grammatica is zeker niet de enige taalvariant die de aanduiding “goed Nederlands” verdient, maar als u voor een doelgroep schrijft waarbinnen het Standaardnederlands de norm is dan zit er niets anders op dan u zoveel mogelijk aan deze norm te houden.


Doelgroepgericht schrijven

Het is uiteindelijk de doelgroep die bepaalt wat wel of niet goed Nederlands is. In de publiekscommunicatie en in het bijzonder bij het schrijven van teksten is het concept “doelgroep” heel belangrijk. De doelgroep is de categorie personen voor wie de tekst bestemd is. Een auteur moet bekend zijn met de taalvariant die bij de doelgroep in gebruik is.

Zo is er een trendy taalvariant waarin het gebruik van allerlei anglicismen volkomen normaal wordt gevonden. De zegswijze “wij gáán er voor” is bijvoorbeeld een letterlijke vertaling van de Engelse uitdrukking “we go for it” en dus een anglicisme, maar in sommige kringen komt dit taalgebruik inmiddels zo veelvuldig voor dat het goed Nederlands is geworden. Ook wordt het woord “sale” in de detailhandel tegenwoordig veel vaker gebruikt dan de woorden “opruiming” en “uitverkoop”. Verder lijken de gebruikers van deze taalvariant liever te spreken over “kids” dan over “kinderen”.

Kenmerkend voor een taalvariant zijn ook vaak diverse speciale woorden die verband houden met de interesse van de doelgroep. Enthousiaste fotografen gebruiken zonder moeite uiteenlopende technische woorden die met fotografie te maken hebben, zoals “scherptediepte”, “diafragma” en “spiegelreflexcamera”.

De fijne nuances van een taalvariant zijn voor een auteur alleen te achterhalen door zelf tot de betreffende doelgroep te gaan behoren. Een stap in die richting is: boeken en tijdschriften lezen die ook door de mensen in deze doelgroep worden gelezen. Verder is ook mondeling contact met de doelgroep van belang. Schrijftaal is aangepaste spreektaal en daarom kan de spreektaal van een doelgroep een inspiratiebron zijn bij het vinden van nieuwe manieren om voor deze doelgroep ideeën te verwoorden.


Taalontwikkeling

Het afwijken van de bestaande regels, het maken van “fouten”, vervult bij de ontwikkeling van een taal een belangrijke functie. Sommige taalfouten evolueren tot nieuwe grammatica-regels. Bij een levende taal als het Nederlands zijn het de taalgebruikers die uiteindelijk bepalen wat goed en wat fout is.

De taalontwikkeling die bij iedere levende taal voortdurend plaatsvindt voltrekt zich aanvankelijk vooral in de gesproken taal. Niet alle aanpassingen dringen door tot de schrijftaal want spreektaal en schrijftaal zijn sterk verschillende vormen van taalgebruik. Spontaan mondeling taalgebruik verschilt in het algemeen aanzienlijk van geschreven taal. Schriftelijk vastgelegde mondelinge taal-uitingen vormen in principe geen goed Nederlands, want bij spreektaal gelden nu eenmaal andere regels dan bij schrijftaal.

Toch komt het voor dat schriftelijk vastgelegd mondeling taalgebruik wel aanvaardbaar is. Op een marktkraam is de grammaticaal foutieve tekst “Hele lekkere aardbeien” als aanprijzing beter dan de correcte tekst “Heel lekkere aardbeien”. Aanprijzende schrijftaal op een markt moet om effect te sorteren dicht bij de spreektaal liggen. We kunnen goed beschouwd niet eens zeggen dat de eerste schrijfwijze grammaticaal onjuist is, want het feit dat een taal-uiting voor de doelgroep volkomen acceptabel is impliceert immers dat deze taal-uiting grammaticaal juist is.
De taalregels worden gemaakt door de taalgebruikers. Mensen zijn intuïtieve taalgebruikers en taalscheppers, ze vinden steeds weer nieuwe manieren om precies te zeggen wat ze bedoelen en verrijken zo de taal met nieuwe mogelijkheden voor genuanceerde communicatie.